Rondetafelbijeenkomst Langlevenherverzekering - 27 mei 2021

14 juni 2021

Langlevenherverzekering is populair bij grote levensverzekeraars. De voordelen voor hen zijn helder, maar wat betekent zo’n langlevenherverzekering uiteindelijk voor de polishouder. Tijdens een virtuele rondetafelbijeenkomst op 27 mei 2021 zijn de deelnemers de discussie met elkaar aangegaan om enerzijds te kijken naar het belang van een langlevenherverzekering voor de polishouder en anderzijds te leren van elkaar.

 

Aan de hand van een aantal vooraf gedeelde stellingen werden de volgende discussies gevoerd en opmerkingen gemaakt:
 

Een langlevenherverzekering verandert niet het bestaande risico. Op totaalniveau is geen sprake van kapitaalsreductie, anders dan door diversificatie.

Deelnemers zijn het grotendeels eens met de stelling dat het bestaande risico niet verandert door een langlevenherverzekering. Er komt wel een betere spreiding van het risico, wat ook gunstig kan zijn voor de polishouder. Die spreiding van risico is relatief als we ons realiseren dat dit geconcentreerd blijft bij de Nederlandse verzekeraars. Wanneer we ons ook realiseren dat het aantal herverzekeraars dat gekozen wordt/is ook maar beperkt is, zien we nieuwe risico’s optreden zoals het concentratierisico. Wel kan het zijn dat de herverzekeraar een betere inschatting kan maken van het risico.

 

Het kapitaal dat vrijgespeeld wordt met een langlevenherverzekering, kan gebruikt worden voor het optimaliseren van de balans wat uiteindelijk resulteert in voordelen voor de polishouder. Maar de deelnemers zijn het eens met de stelling dat het totale risico in de markt niet verandert door dergelijke herverzekeringsconstructies.

 

Herverzekering waarbij sprake is van kapitaalsreductie zou alleen toegestaan moeten zijn met entiteiten die onder Solvency II vallen, om ‘toezichtstoerisme’ te voorkomen.

Er wordt opgemerkt dat de stelling suggereert dat het Solvency II-regime een beter toezichtsregime kan zijn dan het toezichtsregime van de herverzekeraar. In een mondiale samenleving met internationale partijen die elk een eigen toezichtsregime hebben, zou toezichtstoerisme geen probleem moeten zijn, onder de voorwaarde dat het risico voldoende wordt beheerst. Zowel vanuit het perspectief van de verzekeraar (is er voldoende zicht op de risico’s) als vanuit het perspectief van de regelgeving (dat Solvency II een adequate behandeling geeft wat betreft kapitaal van niet Solvency II herverzekeraars). Toezichtregimes kosten veel geld en moeten in balans worden gebracht met goed ondernemerschap. Er wordt opgemerkt dat herverzekeraars niet voor niets kiezen om te retrocederen naar toezichtsregimes met minder zware kapitaaleisen. Maar de deelnemers vinden wel dat vanuit bestuurlijk oogpunt een verzekeraar eindverantwoordelijk blijft voor de resultaten en garanties, ook al zijn deze uitbesteed. Een bestuurder zou overtuigd moeten zijn van de bijdrage van de herverzekering aan de strategie en zich comfortabel voelen bij de uitbesteding. Hierbij hoeft het toezichtsregime niet per se Solvency II te zijn. Via retrocessie kan het risico ook onder een ander toezichtsregime vallen dan Solvency II en dan bestaan er instrumenten, zoals bijvoorbeeld equivalentieprincipes, om dit deels te adresseren. Alhoewel deelnemers vinden dat het niet uitmaakt welk toezichtsregime van toepassing is, mits het risico voldoende beheerst wordt, geven de deelnemers aan wel alerter te zijn bij het accorderen van een dergelijke constructie bij andere toezichtsregimes.

 

Een herverzekeringscontract voor langlevenrisico kan zo ingericht worden dat er geen risico meer over is voor de verzekeraar. Wanneer dat niet zo is en er tegenpartijrisico blijft, dan mag de herverzekering zeker niet gepaard gaan met overbrenging van de ingelegde gelden.

Deelnemers zijn het eens met elkaar dat er altijd wel risico’s achterblijven bij de verzekeraar, bijvoorbeeld uitvoering/operationeel risico, kostenrisico en tegenpartijrisico. Bij retrocessie is het wat lastiger te doorgronden welke risico’s er komen, maar er moet wel getracht worden de risico’s te monitoren en te mitigeren. Voorbeelden die genoemd worden zijn het frequent afrekenen, collaterals, re-couponing en pledge accounting. Wel blijkt het in de praktijk lastig voor de verzekeraar om voldoende zicht (en controle) te hebben op wat de herverzekeraar met de verplichtingen doet, en moet vertrouwd worden op de toezichthouder in het land van de herverzekeraar.

 

De meningen zijn verdeeld of een herverzekering ook mag leiden tot een overdracht van beleggingen van de verzekeraar naar de herverzekeraar. Hoewel sommigen aangeven dat dit best zou moeten kunnen wanneer dat onder de juiste voorwaarden gebeurt, zijn de meesten terughoudend vanwege de risico’s die dit met zich mee kan brengen. Niemand weet hoe de wereld er over 30 jaar uit ziet, en wat er in de tussentijd met deze beleggingen is gebeurd.

 

Voor bestaande polishouders (premievrije contracten) heeft een langlevenherverzekering geen voordeel. Het is vooral goed voor de aandeelhouder(s).

Deelnemers zijn het niet eens met deze stelling. Het voordeel zit in de continuïteit. Betere spreiding van het risico, dus beter/veiliger voor polishouder. Vrijkomende kapitalen kunnen ook worden ingezet ten gunste van de polishouders, voor bijvoorbeeld betere winstdelingen of indexaties.

 

Wel leert de praktijk dat het belang voor aandeelhouders een grote rol speelt bij het afsluiten van een langlevenherverzekering, maar vanwege continuïteit is een dergelijke constructie ook zeker goed voor polishouders. Opgemerkt wordt dat pensioenfondsen (die geen aandeelhouders hebben) dit soort constructies ook hebben waarmee geconcludeerd kan worden dat een herverzekeringsconstructie zeker ook goed is voor de polishouders. Verder wordt opgemerkt dat het ook in het belang is van de polishouders dat de aandeelhouders tevreden zijn, zodat er ruimte voor de verzekeraar is om te ondernemen en de balans goed te managen.

 

Een eindige langlevenherverzekering is een goede toevoeging aan het assortiment (dus voor de komende X jaar wordt de sterfte gegarandeerd, maar daarna niet).

Na een x aantal jaar komt het risico weer terug op de balans van een verzekeraar. Dit is een toevoeging als de portefeuille tot een bepaald niveau is leeggelopen, waardoor de verzekeraar de restportefeuille zelf kan/wil dragen. Een optie tot verlenging is dan wel een waardevolle optie voor de verzekeraar. Daarbij moet rekening gehouden worden met restricties ten aanzien van kapitaalsreductie indien sprake is van materieel basisrisico bij het toepassen van de Solvency II standaardformule.

 

Je moet kiezen: “langlevenherverzekering in de vorm zoals dit nu plaatsvindt, is in het belang van de polishouder” of “van ruilen komt huilen”.

Er is afgesloten met de positieve conclusie dat een langlevenherverzekering in de vorm, zoals dit nu plaatsvindt, zeker in het belang van de polishouder is, alhoewel er toch ervaringen zijn met "van ruilen komt huilen".

 

Bij de bijeenkomst waren aanwezig: Jon Vogelzang (DNB), Jan Nooren (ASR), Michiel Dijkstra (Achmea), Hilco Polman (Aegon), Niels Bakker (Athora NL, AG‑commissie Verzekeringen), Tom de Jonge (NN), Jordi van Irsen (Klaverblad), Loes de Boer (bestuur AG), Jeroen Gielen (dagvoorzitter, AG‑commissie Verzekeringen) en Debbie Ramdien-Sonai (AG-commissie Verzekeringen).