De verschillen tussen de verschillende ramingen voor de compensatie bij afschaffing doorsneesystematiek

1 augustus 2017

21 juni 2017 publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) de notitie: “Overgangseffecten bij afschaffing doorsneesystematiek”. In deze notitie werden, in vervolg op eerdere publicaties, berekeningsresultaten geüpdatet en uitgangspunten herzien ten opzichte van eerdere rapportages.

 

De belangrijkste conclusie uit de notitie is, dat afschaffing van de doorsneesystematiek minder impact heeft dan bleek uit het eerdere rapport van het CPB.[1] Bij afschaffing van de doorsneesystematiek zonder compensatie, zou nu het maximale nadeel 5,5% van het aanvullend pensioen bedragen (was 9,5%). De transitielast voor compensatie daalt van circa 100 miljard (2014) naar circa 55 miljard (2017).

 

De nieuwe berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het stochastisch model van het CPB. Hierdoor is het voor het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) niet mogelijk de berekeningen volledig na te rekenen. Wel is het mogelijk de getallen op hoofdlijnen te duiden. De daling van het overgangseffect wordt gedeeltelijk veroorzaakt doordat is gerekend met een lagere rente(termijnstructuur). Een lagere rente zorgt voor een vlakkere premiecurve bij de verschillende leeftijden, meer gelijkheid tussen jong en oud en maakt hiermee minder compensatie noodzakelijk. Aanzienlijk belangrijker voor de daling is het betrekken van de premievrijval van het nieuwe pensioencontract in het overgangseffect. In eerdere CPB berekeningen werd uitgegaan van het uitgangspunt van: gelijke pensioenaanspraken onder het nieuwe contract en voor alle deelnemers de lagere premie van het nieuwe contract. In de nieuwe berekeningen van het CPB is voor de huidige deelnemer het uitgangspunt gehanteerd van: gelijke pensioenaanspraken onder het nieuwe contract en voor de huidige deelnemers de premie van het huidige contract. Dit nieuwe uitgangspunt sluit beter aan bij de notitie “Implicaties bij afschaffing doorsneesystematiek”, die het AG publiceerde op 29 juni 2016[2]. In deze notitie is de transitielast becijferd op 41 miljard. Dit bedrag is een stuk lager dan de eerder genoemde 55 miljard van het CPB.

 

Het belangrijkste verschil tussen beide berekeningen is dat het AG in haar berekeningen de premievrijval van alle deelnemers heeft meegenomen. Het CPB heeft alleen de premievrijval meegenomen voor de cohorten die per saldo nadeel ondervinden. Het resterende verschil wordt veroorzaakt door een ander berekeningsmodel en andere uitgangspunten.

 

Conclusie AG

Uit de nieuwe notitie van het CPB kan de conclusie getrokken worden dat het probleem van de transitie naar een systeem zonder doorsneesystematiek nu bijna gehalveerd is. Deze halvering wordt echter voornamelijk veroorzaakt door een andere benadering van het probleem. Het AG is van mening dat het in kaart brengen van overgangseffecten een complexe, subjectieve en tijdsgevoelige exercitie is. De vorming van beleid moet daarom niet zozeer gericht zijn op de compensatie van een bedrag op zichzelf, maar meer op de discussie over de wenselijkheid en noodzaak van compensatie. Bovendien moet rekening gehouden worden met de hardheid van de huidige pensioentoezegging en de korte- en langetermijngevolgen indien deze toezegging verandert.

 

 

[1] Doorsneesystematiek in pensioenen onder druk?, CPB Policy Brief | 2014/01.

[2] Implicaties bij afschaffing doorsneesystematiek, Koninklijk Actuarieel Genootschap, 29 juni 2016.