Koninklijk Actuarieel Genootschap verwacht geen blijvend effect op de toekomstige levensverwachting door COVID-19

5 juli 2021

 

Vandaag is de notitie AG2020 en de impact van de COVID-19-pandemie op de over- en ondersterfte sinds januari 2020 van de Commissie Sterfte Onderzoek (CSO) verschenen, waarin de onderbouwing van de impact van de pandemie op de levensverwachting in Nederland toegelicht wordt. Met de uitkomsten van haar analyse onderbouwt de CSO haar conclusie dat er op dit moment geen aanleiding is om de Prognosetafel AG2020 aan te passen.

 

De CSO en de Werkgroep Prognosetafel van het AG hebben bij het opstellen van de Prognosetafel AG2020 geen gebruik gemaakt van de data over het lopende jaar 2020. Er is data gebruikt tot en met het eind van 2019 en op dat moment had de COVID-19 pandemie Europa nog niet bereikt. Bij de presentatie van Prognosetafel AG2020 (9 september 2020), kondigde de Commissie aan dat zij in de loop van 2021 zou besluiten of een update van de prognose nodig zou zijn naar aanleiding van dan beschikbaar komende gegevens over de sterftecijfers over 2020 en het begin van 2021.

 

De nieuwe gegevens betreffen de in Nederland geobserveerde sterfte op weekbasis per leeftijd over het jaar 2020 en de eerste tien weken van 2021, verzameld en aangeleverd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Om het verloop van de pandemie te analyseren, modelleert de Commissie zoals altijd de sterfte-intensiteit voor Nederlandse mannen en vrouwen, maar nu op weekniveau voor het jaar 2020 en de eerste tien weken van 2021. Deze sterfte-intensiteit wordt gemodelleerd als uitbreiding van de sterfte-intensiteit volgens AG2020, door een leeftijdsafhankelijk tijdseffect op weekniveau toe te voegen. Met behulp van de sterftedata op weekniveau, zijn de parameters van het uitgebreide model vastgesteld. Door over te gaan op weekdata kon het verloop van de pandemie gedurende het jaar worden geanalyseerd en gebruikt om een inschatting te maken van de impact in de toekomst onder min of meer gelijkblijvende omstandigheden.

 

Zoals verwacht laten de uitkomsten zien dat het tijdseffect het verloop van de pandemie volgt, met een eerste golf van extra sterfte in april 2020 en een tweede golf van extra sterfte aan het einde van 2020. De gevoeligheid voor dit tijdseffect neemt met de leeftijd toe, met name vanaf leeftijd 65. De gerealiseerde sterfte is met de verwachte sterfte volgens dit uitgebreide model en met de verwachte sterfte die volgt uit AG2020 vergeleken. De verwachte sterfte vertoont, volgens het uitgebreide model, een sterke samenhang met de gerealiseerde sterfte, terwijl gedurende met name de twee pieken de verwachte sterfte volgens AG2020 duidelijk onder de gerealiseerde sterfte uitkomt.

 

Voor de meest recente waarnemingen binnen de gehanteerde dataset liggen de verwachtingen, volgens het uitgebreide model en AG2020, dichtbij elkaar net als aan het begin van 2020 (dus voor het begin van de pandemie in Nederland). In die zin is er geen sprake meer van oversterfte ten opzichte van AG2020. Als dat mede het gevolg is van de vaccinatieprogramma's (en hoewel andere mitigerende maatregelen ook effect hebben lijkt dat het geval, ook op grond van de meest recente data), dan zal de bescherming die deze bieden nog toenemen naarmate meer mensen gevaccineerd worden. Daarom is er op dit moment geen doorslaggevende redenen om aan te nemen dat, als gevolg van de pandemie, er substantieel meer of minder mensen zullen overlijden in de toekomst, dan eerder volgens AG2020 geprognosticeerd. Dit resulteert in de conclusie van de Commissie dat er op dit moment geen aanleiding is om de prognosetafel AG2020 bij te stellen. De prognosetafel AG2020 blijft tot september 2022 onze beste inschatting van toekomstige sterftekansen en levensverwachtingen.

 

De onderstaande vier grafieken laten zien hoeveel overledenen er werden verwacht op basis van de prognosetafel AG2020 en hoeveel meer of minder overledenen er waren in vergelijking met deze verwachting. De grafieken laten ook zien dat de oversterfte, waarbij er meer mensen zijn overleden dan verwacht, vooral voorkomt bij de hogere leeftijden.