Prinsjesdag is nog geen pakjesavond  – door mr. drs. Michael Visser

 

Prinsjesdag is net voorbij, de pepernoten liggen in de schappen, maar het duurt nog even voor het echt pakjesavond is.

 

Tegen die tijd zal het nieuwe kabinet waarschijnlijk enkele pensioenpiketpalen wat dieper de grond in hebben geslagen. Bijvoorbeeld het definitieve besluit om de doorsneepremiesystematiek af te schaffen en een persoonlijker pensioenstelsel omarmen. Dan komt ook het transitievraagstuk prominent of tafel. In politiek en polder. Een onderdeel daarvan is de vraag of en wie gecompenseerd moeten worden. En hoe(veel) dan? De verschillende rekenmeesters benaderen elkaar in hun rapporten als het gaat om de berekening van het bedrag van ‘de transitielast’, maar leggen net andere accenten door andere uitgangspunten.

 

Ik was blij met de oproep van het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) deze zomer, die vrij vertaald neerkomt op: stop maar met rekenen! Het AG is van mening dat het in kaart brengen van overgangseffecten een complexe, subjectieve en tijdsgevoelige exercitie is en de vorming van beleid daarom niet zozeer gericht moet zijn op de compensatie van een bedrag op zichzelf, maar meer op de discussie over de wenselijkheid en noodzaak van compensatie.

 

Om deze discussie verder aan te zwengelen hier een persoonlijke duit in het zakje. De juridische basis, om compensatie voor afschaffing van de doorsneepremiesystematiek sec als noodzakelijk te bestempelen, vind ik dun. Maar ik heb dan ook geen levenslang recht op voortzetting van de huidige opbouwsystematiek in mijn arbeidscontract staan. U wel? Zou er sprake zijn van een schending van een eigendomsrecht, dan komt het compensatievraagstuk juridisch in beeld en ligt compensatie bij geleden schade meer voor de hand.

 

Chen en Van Wijnbergen schijnen vanuit economisch perspectief een interessant licht op de zaak. Zij constateren in een recente analyse dat met regelmaat veranderingen in pensioensystemen doorgevoerd worden, zonder dat compensatie wordt gegeven voor daaruit volgende waardeverliezen. Als voorbeelden noemen zij de aftopping van fiscale faciliëring van pensioenopbouw boven een ton, invoering van de UFR en de ABP overgang van loon naar prijsindexatie. Dit gaat volgens Chen en Van Wijnbergen om grotere bedragen dan die bij de afschaffing doorsneepremiesystematiek zullen optreden. De politiek kan volgens hen de vraag verwachten waarom er wel ex-post gecompenseerd gaat worden voor de gevolgen van het afschaffen van de doorsneepremiesystematiek, terwijl dat in eerdere gevallen niet gebeurd is. “Of we nog even mogen vangen?”, hoor ik de belastinginspecteur, die net dankbaar gebruik maakte van een vriendelijke vertrekregeling, denken.

 

Velen zullen compensatie vast wenselijk vinden en voor de overheid kan het bieden van compensatie wellicht (meer) draagvlak creëren. Mijn ervaring met het VUT-dossier en de maandelijkse VPL premiedonatie van zo’n 3% van het salaris aan het ABP, maken me huiverig. Het betreft een genereuze en langdurige compensatiemaatregel voor afschaffing van het vroegpensioen, die vooral voor (jonge) ambtenaren en onderwijzers in dienst sinds 2006 nog steeds zeer nadelig uitpakt.

 

De leerkrachten in het basisonderwijs zouden eens moeten weten. Prinsjesdag levert hen een ‘substantieel bedrag’ op van 270 miljoen, goed voor een salarisverhoging van zo’n 3%. Maar ik heb het onder de streep uitgerekend: Prinsjesdag is nog geen pakjesavond.

 

Deze blog is op persoonlijke titel geschreven.